Profile

Dé basis voor het basisonderwijs

Oriëntatie op mens en wereld
09/03/2023
Leestijd 5-7 minuten
Geschreven door Piet van der Ploeg

Burgerschap als gedachte-experiment

Stel, er was geen wet- en regelgeving aangaande ‘de burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs’ en ik mocht als leerkracht zelf bedenken hoe ik op school kan bijdragen aan burgerschap van de leerlingen. Wat zou ik dan doen? En hoe verhoudt zich wat ikzelf bedenk tot wat de overheid verlangt?

Save the children

Als ik het zelf mocht bedenken, dan zou ik eerst nagaan wat burgerschap eigenlijk is. Ik weet wat rekenen is en dus waarover rekenen moet gaan. Ik weet wat taal is en dus waarover taal moet gaan. Ik weet wat iets weten over natuur, mensen, verleden en elders is en dus waarover wereldoriëntatie moet gaan. Maar burgerschap … Wat ís dat, dus waar moet dat over gaan?

Bij democratisch burgerschap zijn zelfzeggenschap en medezeggenschap belangrijke pijlers

Burgerschap
Over wat burgerschap is, zijn de opvattingen en voorstellingen sterk verdeeld, althans over wat burgerschap idealiter is (vergelijk bijvoorbeeld neoliberale, republikeinse, communitaire en agonistische ideologieën). Gelukkig bestaat er niettemin eenstemmigheid over wat de kern van burgerschap is. Burgerschap is op zijn minst: zelfzeggenschap. De literatuur overziende kan het iets preciezer nog: onderscheidend kenmerk van burgers ten opzichte van niet-burgers (nog-niet-burgers, niet-meer-burgers, tijdelijk-niet-burgers, hier-niet-burgers enzovoort) is zowel zelfbeschikking als het door de rechtsstaat erkend en beschermd worden in deze status (of vrijheid, autonomie, bevoegdheid).
Wat kan de school daaraan doen, aan burgerschap in deze basale zin? Het klassieke antwoord is helder. Kort gezegd: de rechtsstaat heeft als functie burgerschap mogelijk te maken door borging (gelegenheid bieden, respecteren, bewaken, recht doen); het onderwijs heeft als functie burgerschap mogelijk te maken door toerusting. Onderwijs draagt er zorg voor dat de leerlingen de benodigde kennis en vaardigheden verwerven. Op school oefenen en ontwikkelen leerlingen hun zelfzeggenschap (zelfredzaamheid, onafhankelijkheid, zelfregering) door vertrouwd te raken met allerlei elementair kennen en kunnen (niet alleen elementaire zaakkennis, maar ook elementaire vaardigheden als lezen, verwoorden, berekenen, ordenen, uitzoeken, onderzoeken, redeneren, oordelen, enzovoort). Aangezien alles wat we op school doen hiervoor bedoeld is, om zelfbeschikking te bevorderen, valt onderwijs überhaupt samen met burgerschapsvorming.

‘De burgerschapsopdracht aan scholen in funderend onderwijs’ is hierom een wonderlijke tautologie. Funderend onderwijs is überhaupt burgerschap vormend. Punt. Het heet niet voor niets ‘funderend’. Burgerschap is algemeen doel van onderwijs. Burgerschap begrijpen als ‘basale vaardigheid’ in plaats van algemeen doel is een misverstand. Of het is verdacht en er is iets anders aan de hand. De overheid heeft met haar ‘burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs’ kennelijk iets anders op het oog dan bijdragen aan burgerschap in de basale betekenis van zelfzeggenschap. Daar kom ik straks op terug.

Eerste conclusie: Stel, ik mocht zelf bedenken hoe ik op school bijdraag aan het burgerschap van de leerlingen, dan zou ik mijn best doen voor zo goed mogelijk onderwijs überhaupt, dus voor zo goed mogelijk onderwijs in de basisvakken (rekenen, taal en wereldoriëntatie) – in elk geval de basisvakken.

Democratisch burgerschap
In omstandigheden waarin burgers op elkaar zijn aangewezen, is medezeggenschap de logische consequentie van zelfzeggenschap. Hierom zou ik leerlingen in het verlengde van (of als onderdeel van) basaal burgerschap vertrouwd maken met democratisch burgerschap.

De wettelijke burgerschapsopdracht staat op gespannen voet met onderwijs dat werkt aan democratisch burgerschap

Democratisch burgerschap is meedenken, meepraten en meebeslissen. Democratie staat voor collectieve zelfregering (in publiek en politiek bestuur, maar ook in andere genres van bestuur, organisatie, samenwerking en samenleven). Burgers doen mee in samen overleggen en samen besluiten over zaken die hen samen aangaan. Medezeggenschap vloeit organisch voort uit zelfzeggenschap zodra burgers met elkaar te maken hebben en van elkaar afhankelijk zijn. Zeker in intens verknoopte maatschappelijke contexten is democratisch burgerschap daardoor onderdeel van basaal burgerschap.

Wat kan ik op school daaraan doen, aan leren meedenken, meepraten en meebeslissen? Er zijn uiteraard tal van randvoorwaardelijke aspecten die relevant zijn, zoals elkaar laten uitspreken en elkaar serieus nemen. Maar die gelden voor álle leefbare en werkbare omgang op school en vergen niet afzonderlijke of bijzondere aandacht. Wat wel apart onderwijs-lerende aandacht vraagt en kan krijgen, is redelijkheid. In het meedenken, meepraten en meebeslissen moeten burgers hun argumenten, oordelen en conclusies verantwoorden ten overstaan van elkaar, dat wil zeggen: er redenen voor geven, redenen die voor anderen begrijpelijk zijn. Anders kan er geen sprake zijn van gezamenlijkheid en wederzijdsheid in de gedeelde zeggenschap.

Redelijkheid steunt enerzijds op ruime en verfijnde kennis van zaken en kennis van mensen en anderzijds op bereidheid en bekwaamheid om kennis te gebruiken in zelfverantwoording. Redelijkheid kan op school bevorderd worden door breed en genuanceerd kennis krijgen en door oefening in gebruik van kennis bij argumenteren, oordelen, concluderen en dergelijke. Dit stelt eisen aan curriculum en didactiek: het vergt een kennisrijk en kennisdiep curriculum en een didactiek waarin redenen vragen en redenen geven een voorname rol speelt.

Tweede conclusie: stel, ik mocht zelf bedenken hoe ik op school bijdraag aan burgerschap, dan zou ik werken aan democratisch burgerschap, dus aanknopend bij zelfzeggenschap ook aan medezeggenschap. Daarvoor zou ik geen aparte lessen of projecten burgerschap nodig hebben; wel een kennisrijk en kennisdiep leerplan en een verantwoording animerende didactiek.

Burgerschapsagenda kabinetten Balkenende en Rutte
Sinds ruim vijftien jaar verlangt de overheid meer van het funderend onderwijs, méér dan bijdragen aan basaal en democratisch burgerschap. De school moet iets extra’s doen. Burgerschap wordt in de wet- en regelgeving geassocieerd met actieve participatie en sociale cohesie (wetswijziging 2006) en met verdraagzaamheid en non-discriminatie (wetswijziging 2021). In analyses van het beleid en de wetteksten heb ik dit aan de kaak gesteld (Van der Ploeg 2020; 2021).

Democratisch burgerschap is meedenken, meepraten en meebeslissen

Wat de kabinetten Balkenende en Rutte betreft, staat burgerschap in dienst van ‘social engineering’. Er doen zich tal van maatschappelijke problemen voor, zoals ongelijkheid, verbubbeling, onverschilligheid, onveiligheid, intolerantie, verslaving, ongezondheid, economische crisis en ecologische crisis. Het zijn allemaal problemen die we persoonlijk en gezamenlijk kunnen verzachten of verhelpen door verandering van gedrag, leefstijl en gezindheid. Burgerschapsonderwijs moet een en ander aanleren. In de burgerschapsopdracht gaat het derhalve niet louter om ontwikkeling en oefening van basaal en democratisch burgerschap, dus van zelf- en medezeggenschap. Het gaat om het kweken van het soort burgerschap dat volgens de overheidsideologie voorwaarde is voor herstel en onderhoud van samenleving, economie, politiek, milieu enzovoort. Hiermee legt de overheid een specifiek burgerschapsideaal op aan het onderwijs en via het onderwijs aan de leerlingen.

De wettelijke burgerschapsopdracht staat op gespannen voet met onderwijs dat werkt aan basaal en democratisch burgerschap. Immers, aanleren van heteronoom (door anderen) bepaalde gedragspatronen, leefstijl en gezindheden begrenst zelf- en medezeggenschap. Leerlingen krijgen opgelegd hoe ze hun burgerschap gestalte moeten geven zonder dat zij betrokken worden in verkenning, vergelijking en beoordeling van de mogelijkheden en in de keuze voor één ervan. Als er concurrerende opvattingen en voorstellingen zijn van wat burgerschap idealiter is, dan vooronderstelt zowel zelfzeggenschap als medezeggenschap dat eventuele keuze voor een burgerschapsideaal ieders eigen zaak is.

Het van overheidswege voorgeschreven burgerschapsonderwijs verlangt dus niet alleen iets extra’s bovenop goed onderwijs, het verstoort het ook, want het ondermijnt bevordering van zelfzeggenschap en medezeggenschap.

Ideaal burgerschap
Vandaar de derde en laatste conclusie: wil onderwijs burgerschap recht doen, dan is het, gegeven de uiteenlopende inzichten en meningen aangaande ideaal burgerschap, van tweeën één:
● Of het valt leerlingen niet lastig met ideaal burgerschap.
● Of het laat leerlingen kennis maken met de diversiteit aan burgerschapsidealen en rust leerlingen toe om die zelf te onderzoeken, te vergelijken en te beoordelen en in dat kader zelf te bepalen wat voor burger zij willen zijn.

Stel, ik mocht het zelf bedenken, dan zou ik in de onderbouw van het basisonderwijs het eerste als leidraad nemen en in de bovenbouw het tweede, althans er een voorzichtig begin mee maken.