Kleine aanpassingen, groot verschil
Op veel scholen klinkt de term ‘inclusief onderwijs’ nog wat zwaar. Het lijkt iets wat alleen kan met extra handen, meer tijd of nieuw beleid. In dit artikel laten orthopedagoog en intern begeleider Femke Wackers en leerkracht Martine Piters zien dat het vaak eenvoudiger is dan gedacht. Zij vertellen hoe kleine aanpassingen in het lokaal rust kunnen brengen, hoe een voorspelbare dagstructuur spanning bij leerlingen verlaagt en hoe teams samen kunnen groeien zonder alles om te gooien. Inclusie begint niet bij grote plannen, maar bij anders kijken naar wat al werkt.
Toen de overheid bekendmaakte dat zij ernaar streeft dat het onderwijs in 2035 volledig inclusief is, riep dat op veel scholen vragen en onzekerheid op. Het klonk groot en ver weg, maar tegelijk als iets wat uiteindelijk iedere school zou raken. Leerkrachten vroegen zich af wat het in de praktijk zou betekenen. Moeten we straks voor elke leerling een apart plan maken? Komt er extra ondersteuning? En hoe past dit nog in een werkweek die nu al vol is? Het voelde voor veel leerkrachten als een onhaalbare opdracht.
Martine herinnert zich haar eerste gedachte nog goed. “Ik dacht: moeten we dit er óók nog bij doen?” Ze stond voor groep acht en werkte binnen Stichting Kom Leren, waar scholen samen zoeken naar manieren om inclusiever te worden. “De term ‘inclusief onderwijs’ alleen al klonk zwaar, alsof het iets totaal nieuws was. Maar toen we ons er verder in verdiepten, zagen we dat we eigenlijk al veel doen wat past bij inclusief onderwijs.’’
Femke knikt. Ze begeleidt leerkrachten die dagelijks werken met dertig verschillende kinderen, in een omgeving vol prikkels voor leerlingen én voor henzelf. “Veel leerkrachten denken dat ze voor elk kind iets anders moeten doen. Dat voelt soms als jongleren met te veel ballen tegelijk. Terwijl rust en voorspelbaarheid juist voor alle leerlingen werken. Wat voor leerling A helpt, helpt meestal ook voor B, C en D.”
Langzaam ontdekten Martine en Femke dat inclusie niet begint met nieuwe plannen of materialen, maar met een andere manier van kijken. “We doen al veel meer goed dan we denken,” zegt Femke. “Het gaat niet om alles omgooien, maar om je ervan bewust te worden van wat al werkt.” Martine glimlacht. “En soms lukt iets nog niet, en dat mag ook.” Ze benadrukt hoe waardevol het is om samen te blijven leren en te zien wat elke leerling je probeert te vertellen. “Als je merkt dat een leerling nog iets anders nodig heeft, zit daar juist de grootste kans om als team te groeien. Inclusie gaat niet over perfectie, maar over samen beter worden in wat goed onderwijs vraagt.”
Rust in de klas geeft ruimte in het hoofd
Wie een paar jaar geleden Martines lokaal binnenstapte, wist niet waar eerst te kijken. Overal hingen posters, stappenplannen, rekenschema’s en kleurige tekeningen. “We dachten dat veel ophangen juist stimulerend was. Maar eerlijk? De helft werd niet eens bekeken.” Nu oogt haar klas een stuk rustiger. De muur achter het bord is leeg, zodat alle ogen vanzelf naar de uitleg gaan. Creatieve werkjes krijgen nog steeds een plek in de klas, maar bewust gekozen en op rustige plekken, zodat ze de instructie niet verstoren. Alleen de spellingscategorieën van de week en de klasafspraken hangen nog aan de zijkant. “Het ziet er misschien wat kaal uit, maar kinderen weten precies waar ze iets kunnen vinden. Dat geeft rust voor hen en voor mij.”
Femke ziet hoe zo’n verandering direct doorwerkt in het brein van kinderen. “Een druk lokaal lijkt gezellig, maar het is een overdaad aan prikkels. Het brein van een kind verwerkt al die beelden en kleuren, ook als ze er niet bewust naar kijken. Dat kost energie. En als ze iets zien wat ze niet begrijpen, zoals een schema, een moeilijke tekst of een poster vol informatie, levert dat onrust op. Hun hoofd probeert te snappen wat het betekent en daardoor raakt het werkgeheugen sneller vol.”
Volgens haar maakt een rustige omgeving juist het verschil. Die helpt kinderen om hun aandacht te richten. “Als er minder prikkels binnenkomen, hoeft het brein niet steeds te filteren wat belangrijk is. Daardoor houden kinderen meer energie over voor het echte leren.”
Alle neuzen dezelfde kant op
Op veel scholen staan tafels in groepjes. Gezellig, wordt vaak gezegd, want samen leren stimuleert contact. Toch merkte Martine dat het in de praktijk iets anders werkte. “Kinderen keken voortdurend naar elkaar. Even lachen, een handgebaar, een potlood dat valt. Hun aandacht was weg voordat ik goed en wel begonnen was.”
Sinds de tafels in haar lokaal in tweetallen staan, met de stoelen naast elkaar en alle gezichten naar het bord, is er meer rust. “Het lijkt zo’n kleine aanpassing, maar het effect is groot. Kinderen hoeven niet meer te zoeken waar ze moeten kijken. Er komt letterlijk rust in hun hoofd. Ze weten: dit is de plek waar ik leer, daar gebeurt het.”
Femke ziet het breder. “De manier waarop je een lokaal inricht, stuurt gedrag. Als leerlingen tegenover elkaar zitten, blijven hun hersenen alert op bewegingen en blikken. Dat is precies wat ze van nature doen: scannen. Maar tijdens de uitleg wil je juist dat hun aandacht even één kant opgaat. Door iedereen dezelfde richting te geven, geef je ook hun brein richting. Die structuur zorgt niet alleen voor concentratie, maar ook voor verbinding. Een vaste leerpartner naast je maakt het makkelijker om hulp te vragen. Dat kleine stukje voorspelbaarheid geeft veiligheid. Kinderen weten bij wie ze terecht kunnen, en dat verlaagt de spanning in de groep.” Martine grinnikt. “Het mooie is dat het helemaal niets kost. Alleen de tafels een kwartslag draaien en ineens is het een stuk stiller, in de klas.’’
Voorspelbaarheid
Rust zit niet alleen in muren of tafels, maar ook in het ritme van de dag. De groep van Martine begint elke ochtend op dezelfde manier. De kinderen hangen hun jas op, pakken hun spullen en nemen plaats. Dan volgt het vaste incheckmoment. “We starten altijd even met elkaar. Kinderen geven met een kaartje of symbool aan hoe ze zich voelen. Zo weet ik wie er wat extra aandacht nodig heeft. En zij weten dat ze gezien worden.”
In de onder- en middenbouw hangt een dagschema, maar in de bovenbouw werken leerlingen met een weektaak die elke ochtend wordt doorgenomen. De doelen van de week hangen centraal in de klas.
“Dat geeft net zoveel houvast. Kinderen weten waar ze aan toe zijn en wanneer ze wat kunnen doen. Vooral leerlingen die moeite hebben met veranderingen hebben hier veel steun aan. Ze hoeven niet te raden, ze weten wat er komt.” Femke ziet hetzelfde in andere klassen. “Voorspelbaarheid verlaagt spanning. Als een kind niet weet wat er komt, blijft het brein alert en kost dat energie. Duidelijkheid voorkomt dat.”
Op hun school proberen ze die voorspelbaarheid niet alleen per klas, maar schoolbreed te organiseren. “Wat in groep drie werkt, moet in groep acht herkenbaar blijven,” zegt Martine. “We spreken daarom met het hele team af hoe we routines vormgeven, zodat kinderen overal dezelfde structuur ervaren. Dat maakt het voor hen en voor ons overzichtelijker.”
Die afspraken leggen ze vast in zogeheten kwaliteitskaarten, waarin staat hoe vakken, instructies en dagelijkse rituelen worden aangepakt. “Zo doen we het allemaal op dezelfde manier,” vertelt Femke. “Als er een nieuwe collega komt of iemand vervangt, weet die meteen wat de basis is. Dat scheelt tijd, maar vooral onrust.” Volgens haar is het niet nodig om er een ingewikkeld systeem van te maken. “Een vast begin van de dag en een herkenbare structuur is vaak genoeg. Het belangrijkste is dat kinderen ervaren: dit is hoe het hier gaat, elke dag weer.”
Samen leren als team
Voor Martine en Femke is inclusief onderwijs geen kwestie van extra beleid, maar van samen durven leren. “We hoeven het niet allemaal alleen te weten,” zegt Martine. “We kunnen zoveel van elkaar opsteken, maar nemen daar te weinig tijd voor. Terwijl juist dat helpt.” Femke knikt. “Als een collega voor een uitdaging staat met een leerling, is dat niet iets van één persoon, maar van het hele team. Je kijkt samen, denkt mee, zoekt naar wat wél kan. Dat maakt het werk lichter en de oplossingen sterker.”
Ze pleiten ervoor om elkaars expertise vaker te benutten en letterlijk bij elkaar in de klas te gaan kijken. Want spieken mag dan niet tijdens een toets, voor leerkrachten is het juist de sleutel om verder te komen. Wie durft te spieken bij een collega, ontdekt vaak nieuwe mogelijkheden voor zijn leerlingen én voor zichzelf!