Profile

Dé basis voor het basisonderwijs

Sociaal-emotionele ontwikkeling
08/09/2026
•
Leestijd 4-6 minuten
•
Geschreven door Monique Thoonsen

Kijk eens door de ZiP-bril

Bram wiebelt op zijn stoel en tikt met zijn potlood op tafel tijdens jouw instructie. Sara neemt tijdens groepswerk altijd de leiding: alles moet op háár manier en ze duldt geen tegenspraak. Lastig gedrag? Of proberen deze leerlingen grip te krijgen op hun prikkels? Kijk eens door de ZiP-bril.

Save the children

beeld: Shutterstock

Wat lijkt op lastig gedrag, is vaak zelfregulatie: kinderen zoeken méér of juist mínder prikkels (Piccardi & Gliga, 2022). Dit is precies waarom jij als leerkracht baat hebt bij de ZiP-bril: je kijkt naar het ‘waarom’ van het gedrag. ZiP staat voor Zintuiglijke Prikkelverwerking: hoe het zenuwstelsel prikkels opvangt, verwerkt en vertaalt naar gedrag. Door de bril kijk je met de hypothese in je hoofd dat gedrag veroorzaakt kan worden door te weinig of te zwakke of juist door te veel en te sterke zintuiglijke prikkels.

Prikkelfilter: hoe zit dat?
In je brein zit een prikkelfilter. Dat filter bepaalt óf en hoe sterk een prikkel doorkomt in je bewustzijn. Bij iedereen is dat filter anders afgesteld: deels aangeboren, deels aangeleerd (Bundy & Lane, 2020). Komen er te weinig prikkels door? Dan mis je informatie en moet je vaak activeren om ‘aan’ te gaan. Komen er te veel prikkels door? Dan is het snel te druk van binnen en ga je eerder vermijden, sturen of controleren (Dunn, 1997).

Achter het woord ‘prikkelfilter’ zit een complex neurologisch systeem. Op verschillende plaatsen in de hersenen worden zintuiglijke prikkels verwerkt. Zo heb je in de hersenstam de formatio reticularis, die een rol speelt in het slaap-waakritme en het wennen aan zintuiglijke prikkels. De thalamus en insula zijn belangrijke centra waar prikkels ‘gewogen’ worden om te bepalen welke belangrijk genoeg zijn om doorgelaten te worden. Ook het neurohormonale systeem speelt een rol, met bijvoorbeeld noradrenaline dat activerend werkt en serotonine dat dempend werkt op zintuiglijke prikkels.

Casus 1:
Bram – wiebelen om alert te blijven
Het gedrag van Bram kan wijzen op onderprikkeld actief gedrag: zijn brein krijgt te weinig ‘input’. Het drukke gedrag heeft één doel: alert blijven. “Zit stil en let op” werkt dan niet. Bij stilzitten zakken deze leerlingen juist weg.
Let op: druk gedrag is niet automatisch overprikkeling. Enthousiast druk gedrag, waarbij spanning doorgaans afwezig is, kan duiden op een behoefte aan meer en sterkere prikkels. Er is dan sprake van onderprikkeling.

 

Wat kun je doen in jouw klas (zonder dat het een circus wordt)?

  • Staand luisteren of werken
    Laat Bram achterin de klas staan tijdens een instructie of laat hem bij zelfstandig werk (delen van) de tijd staand werken.
  • Beweegminuten met duidelijke regels
    Plan na tien minuten werken een korte ‘wiebeltijd’ voor Bram: twee minuten staan en wiebelen, zonder praten, op je eigen plek.
  • Friemelen met een doel
    Vervang storend tikken door een friemeloptie zonder geluid (touwtje/kneedgum). Je benoemt waarom: het helpt Bram om te focussen, maar het moet ook werkbaar blijven voor anderen.

Casus 2:
Sara – bepalen als overlevings­strategie
Tijdens groepswerk komen er veel prikkels tegelijk binnen: praten, schuiven, sociaal ‘gedoe’, onvoorspelbaarheid. Voor Sara kan dat voelen als prikkelchaos. In zo’n situatie zie je vaak controlegedrag: sturen, regels maken. Dat bazige gedrag is geen ‘karakterfout’, maar een overlevingsstrategie: als je kunt bepalen wat er gebeurt, bepaal je ook hoeveel prikkels er op je af komen.

 

Wat kun je doen in jouw klas?

  • Maak groepswerk voorspelbaar
    Geef een helder stappenplan en een afgebakende rol (bijvoorbeeld tijdbewaker of materiaalbeheerder). Minder ‘open eindjes’ = minder prikkels om te managen.
  • Creëer een prikkelvriendelijke plek
    De term ‘prikkelarm’ is een valkuil: kinderen hebben prikkels ook nodig om te reguleren. Praktisch: een rustiger hoekje, een scherm tegen visuele drukte of een vaste werkplek voor overlegmomenten.
  • Bied een korte prikkelpauze, zónder drama
    Overprikkelde leerlingen reguleren soms door even uit de situatie te stappen. Je kunt dat normaliseren en organiseren, bijvoorbeeld met een vaste stilteplek of korte check-in.

Alles willen bepalen is geen ‘karakterfout’, maar een overlevingsstrategie

Door deze praktijkgerichte strategieën een tijdje uit te proberen, kun je testen of gedrag inderdaad wordt veroorzaakt door onder- of overprikkeling. Het doel is dat een leerling zich beter voelt en daardoor vaardiger gedrag laat zien. Welke strategie werkt, varieert per persoon.

Praten over prikkels helpt leerlingen herkennen wanneer het te veel of te weinig is

Praten over prikkels
Praten over prikkels kan leerlingen helpen om te leren: (1) wanneer het te veel of te weinig is, (2) hoe ze zelf kunnen bijsturen en (3) hoe ze dit kunnen communiceren met jou.

Bron: Wiebelen en friemelenreeks, uitgeverij Pica

Je kunt dit heel concreet maken met de metafoor van een glas dat volloopt:

(bijna) leeg = onderprikkeld
halfvol = mist informatie, heeft meer en sterkere prikkels nodig
vol = ‘alert’, (be)leven en leren is mogelijk
overlopend = overprikkeld en behoefte aan kalmeren/vermijden

Probeer morgen in de klas eens twee vragen. Aan Bram: “Wat helpt jou om je lichaam wakker te houden tijdens uitleg?”
Aan Sara: “Wat heb jij nodig om rustig te blijven in een groepje?” Je zult merken dat gedrag minder een strijd wordt als leerlingen woorden krijgen voor wat er van binnen gebeurt.

5x Omgaan met prikkels

Aspect Neutraal Onderprikkeld actief Onderprikkeld passief Overprikkeld actief Overprikkeld passief
Omschrijving Kan overweg met de hoeveelheid prikkels die hij/zij tegenkomt Krijgt te weinig of te zwakke prikkels Krijgt te weinig of te zwakke prikkels Krijgt te veel of te heftige prikkels Krijgt te veel of te heftige prikkels
Ervaring of behoefte van de leerling Het is niet te veel en niet te weinig Heeft behoefte aan extra prikkels Heeft behoefte aan extra prikkels Heeft last van prikkels Heeft last van prikkels
(Mogelijke) reactie van de leerling Doet meestal wat nodig is of gevraagd wordt Gaat op zoek naar extra prikkels Gaat niet op zoek naar extra prikkels Vermijdt prikkels Vermijdt prikkels niet
(Mogelijk) gevoel van de leerling Gevoelens passen bij de situatie Is (te) enthousiast en (te) druk Is sloom/slaperig en (te) ontspannen Is gespannen en controleert Is nerveus en gespannen
(Mogelijk) gedrag van de leerling Past goed bij de situatie, niet te druk en niet te stil en redelijk flexibel Wil méér: kom maar, kom maar, het is nooit genoeg Is flexibel, is onverschillig/afwezig Regelt het, wil controle Moppert, huilt, is teruggetrokken

Do’s & don’ts prikkelprettig reageren)

1. Do

  • Benoem wat je ziet: “Wiebelen helpt jou om actief te blijven; hoe kun je dat doen zonder dat anderen daarvan last hebben?”
  • Test strategieën een aantal keren uit, zodat een leerling eraan kan wennen. Werkt het meestal? Blijf het dan aanbieden.
  • Geef keuzes in strategieën (staan, friemelen, korte pauze), zodat leerlingen meer eigenaarschap ervaren.
  • Kijk eerst of een leerling onder- of overprikkeld is. Druk gedrag vraagt niet altijd om kalmeren; soms helpt acti-veren juist. Een gespannen-drukke leerling is waarschijnlijk overprikkeld en heeft kalmering nodig. Een enthousiaste-drukke leerling is waarschijnlijk onderprikkeld en heeft activering nodig.
  • Laat zelfregulerend gedrag gebeuren als het werkt en niemand hindert.
  • Maak afspraken vóórdat spanning oploopt. Wat kan een leerling doen als het te veel of juist te weinig wordt?
  • Houd interventies klein en concreet. Eén heldere aanpassing werkt vaak beter dan vijf goedbedoelde tips.
  • Normaliseer hulpvragen en regulatie. Maak het gewoon dat een leerling gaat staan, een pauze neemt of om verduidelijking vraagt.
  • Verlaag je eisen bij duidelijke stress. In spanning functioneert een leerling tijdelijk anders, dan helpen minder woorden, meer voorspelbaarheid en meer coregulatie.
  • Reflecteer ook op je eigen prikkelprofiel. Wat jij ‘prima’ vindt, kan voor een leerling te veel zijn en andersom.

2. Don’t

  • Ga er niet van uit dat wat voor jou werkt, ook werkt voor je leerling (bijvoorbeeld “ga even zitten”).
  • Label gedrag niet te snel als ‘onwil’. Soms is het een probleem van alertheid of overbelasting.
  • Maak het niet te groot of te moralistisch. Een leerling die alles wil bepalen, is vaak bezig grip te houden op prikkels.
  • Gebruik niet steeds dezelfde aanpak: niet elke leerling heeft baat bij dezelfde plek, hetzelfde hulpmiddel of dezelfde pauzevorm.
  • Evalueer niet te snel na één mislukte poging. Een strategie die nieuw is, heeft vaak inwerktijd nodig.
  • Stop met praten als een leerling in spanning zit. Meer taal, meer correcties en meer onverwachte input maken het vaak erger. Communiceer weer als de leerling (meer) ontspannen is.
  • Verwacht in stress niet dezelfde vaardigheden als in rust. Een leerling kan dan minder goed luisteren, praten, schakelen of sociaal reageren.
Book iconMediatips
  • SensoMatters.com – praktische informatie en hulpmiddelen voor leerkrachten over ZiP.
    nssi.nl – overzicht van therapeuten die getraind zijn in zintuiglijke prikkelverwerking.
Book iconLiteratuurlijst
  • Bundy, A. C., & Lane, S. L. (2020). Sensory integration: Theory and practice (3rd ed.). F.A. Davis.
  • Dunn, W. (1997). The impact of sensory processing abilities on the daily lives of young children and their families: A conceptual model. Infants and Young Children, 9(4), 23–35.
  • Piccardi, E. S., & Gliga, T. (2022). Understanding sensory regulation in typical and atypical development: The case of sensory seeking. Developmental Review, 65, 101037.
    Thoonsen, M., & Lamp, C. (2015). Wiebelen en friemelen in de klas: Over de invloed van zintuiglijke prikkelverwerking op leren. Uitgeverij Pica.

Monique Thoonsen

Monique Thoonsen is expert in zintuiglijke prikkelverwerking en ondersteunt scholen bij het creëren van een prikkelvriendelijk leerklimaat.