Profile

Dé basis voor het basisonderwijs

Taal
16/12/2025
Leestijd 6-8 minuten
Geschreven door Imke de Boer

Zó praten wij op school

Op basisschool De Wissel in Den Haag klinken elke dag tientallen talen door elkaar. In de klassen en op het schoolplein hoor je woorden in het Arabisch, Turks, Spaans, Pools of Papiaments. De school telt maar liefst 45 nationaliteiten en die diversiteit is voelbaar in alles wat er gebeurt. Toch staat één taal centraal: het Nederlands. Maar ook andere talen krijgen ze op De Wissel een plek. Waar vroeger nog bordjes hingen met ‘Wij spreken hier Nederlands’, wordt nu de kracht van meertaligheid omarmd.

Save the children

Directeur Véronique Vanlaeken gelooft sterk dat de moedertaal kan helpen bij het leren van Nederlands. “Het is zó mooi om te zien hoe kinderen elkaar begrijpen, ook zonder woorden,” vertelt ze.

Met een groot hart voor het onderwijs en een duidelijke growth mindset gelooft ze dat ieder kind alles kan bereiken, ongeacht waar het vandaan komt, als het er maar voor gaat. Die gedachte zie je terug in het onderwijs op de school, waar nieuwkomers niet apart worden gezet, maar stap voor stap meedraaien met hun leeftijdsgenoten. Zo leren ze niet alleen de taal, maar ook hoe het is om onderdeel te zijn van een Nederlandse klas.

Rijke taalomgeving

Kim Smeenk is leerkracht van groep 6 op OBS De Wissel, een klas waarin alle 26 leerlingen meertalig zijn. Voor haar is meertaligheid geen uitdaging, maar juist een kans om kinderen te laten groeien. Ze maakt actief gebruik van de verschillende talen in de klas, bijvoorbeeld door leerlingen eerst alles op te laten schrijven wat ze weten in hun eigen taal en daarna pas de Nederlandse woorden te koppelen. Zo bouwen de kinderen voort op hun eigen kennis en ontdekken ze tegelijkertijd hoe ze elkaar kunnen helpen en begrijpen.

“Het allerbelangrijkste is dat kinderen in elke taal een rijke taalomgeving ervaren, want taal is het krachtigst als je het echt goed kunt gebruiken.” vertelt Kim. En dat uitgangspunt zie je terug in alles wat ze doet. Door samen te zingen, te praten over hun achtergrond of te werken met taalmaatjes, ontstaat er een sterk groepsgevoel en een gevoel van trots. Voor Kim maakt die diversiteit de klas niet alleen uitdagender, maar ook levendiger en rijker, een plek waar leren en plezier hand in hand gaan.

Veilige haven

Sheila Richardson is intern begeleider van de bovenbouw op OBS De Wissel en houdt zich dagelijks bezig met de zorg en ontwikkeling van leerlingen. Na 26 jaar op een andere school te hebben gewerkt, koos ze bewust voor De Wissel vanwege de diversiteit en het warme, open karakter van de school.

“Het gebouw ademt licht en ruimte, het gaf me meteen nieuwe energie,” vertelt ze. Sheila ziet de vele nationaliteiten als een kracht: “We zijn hier een veilige haven, niet alleen voor kinderen maar ook voor ouders.” Over meertaligheid is ze helder: zolang er veiligheid is, vormt het geen belemmering. Als kinderen thuis een andere taal spreken maar op school veel Nederlands horen, pikken ze dat razendsnel op. Ze ziet vooral hoe belangrijk het is dat leerlingen zich kunnen uitdrukken en begrepen voelen. “Als ze zich niet goed kunnen verwoorden, denken ze al snel: het ligt aan mij, ik ben dom. Terwijl het juist onze taak is om ze te laten zien hoe knap ze zijn.”

Leerlingen van De Wissel aan het woord

Op basisschool De Wissel spelen niet alleen de lessen en het onderwijs een belangrijke rol, maar ook de leerlingen zelf, ieder met zijn of haar eigen achtergrond en verhaal. Veel leerlingen van deze school groeien op met meerdere talen. Dit brengt zowel uitdagingen als mooie kansen met zich mee, voor henzelf én voor de klas.

Maak kennis met de leerlingen van basisschool de Wissel.

Nour:

Nour is 11 jaar oud en zit in groep 8.

Ze spreekt Arabisch en Nederlands. Op school praat ze meestal Nederlands, maar in de pauze soms ook Arabisch met haar vriendinnen op het schoolplein. “Ik vind het leuk om andere kinderen Arabische woorden te leren, zoals ‘hallo’ en ‘hoe gaat het’,” vertelt ze trots.

Het leukste wat ze op school doet, is lezen. “Ik vind het leuk om verhalen te lezen,” zegt ze met een glimlach. In de klas praat ze het liefst Nederlands. Toen ze net in de nieuwkomersklas zat, vond ze Nederlands nog heel moeilijk, maar nu gaat het supergoed. “Nu is het al super makkelijk!” zegt ze blij.

Toch kiest ze er in de klas vaak voor om Nederlands te praten. “Dan leer ik het beter,” legt ze uit. Ze merkt dat Nederlands steeds minder moeilijk wordt, al zijn sommige woorden nog lastig. Schrijven in het Nederlands gaat al heel goed. “Ik kan aan elkaar en in blokletters schrijven! Aan elkaar schrijven vind ik makkelijker, dan kun je in één stuk door.”

Thuis oefent Nour vaak met haar ouders en haar zus. Ze praten Nederlands, lezen samen en kijken tekenfilms. Tom en Jerry kijkt ze graag, al praten ze daarin niet zoveel. Ook op de computer is ze handig: “Ik kan heel snel typen!”

Later wil Nour politieagent worden. Ze weet dat ze dat kan als ze goed haar best blijft doen. En als ze zelf juf zou zijn? “Dan zou ik de kindjes veel stickers geven,” zegt ze vrolijk.

Nour is trots dat ze in Nederland mag zijn. “Ik vind het hier supermooi en schoon,” zegt ze stralend.

Belinay:

Belinay is 10 jaar en zit in groep 7.

Ze spreekt drie talen: Turks, Nederlands en Engels. “Turks is mijn moedertaal, zo noemen wij dat,” vertelt ze trots. Op school spreekt ze meestal Nederlands, maar soms ook Turks, want veel kinderen in haar klas spreken die taal. “Wel de helft van de klas!” zegt ze enthousiast.

Het leukste vak op school vindt Belinay rekenen. Ook vindt ze het leuk om met haar vriendjes in haar moedertaal te praten. “Ik vind het cool dat ik drie talen kan spreken,” zegt ze met een glimlach. In haar klas vinden de andere kinderen dat heel normaal. “Iedereen is cool,” zegt Belinay.

Thuis oefent ze vaak met haar zus, die heel goed Nederlands spreekt. “Met haar praat ik vaak in het Nederlands,” vertelt ze. Als ze huiswerk niet snapt, vraagt ze eerst hulp aan haar vader. “Als hij het niet weet, dan vraag ik het aan mijn zus en anders de volgende dag aan de juf.”

Niet alles op school gaat vanzelf. Op school vindt Belinay spelling nog best moeilijk. Gelukkig helpt haar juf haar goed. “Soms met de hele klas, maar soms ook één op één. Dat vind ik fijner,” legt ze uit. Topografie vindt ze nog wat lastig. Gelukkig helpt de meester haar goed tijdens de lessen. “Bij toetsen mag hij natuurlijk niet helpen, maar in de les wel,” zegt Belinay.

Later wil Belinay dokter worden. Ze weet zeker dat ze dat kan bereiken door goed haar best te doen op school. En als ze zelf juf zou zijn? “Dan zou ik alle kinderen vaak snoepjes geven en veel voorlezen,” zegt ze dromerig.

Lin:

Lin is 11 jaar en zit in groep 7. Ze spreekt maar liefst vier talen: Nederlands, Papiaments, Engels en Spaans. Thuis spreekt ze het meeste Papiaments, maar op school vooral Nederlands. Op het schoolplein praat ze soms Engels met haar vriendinnen. “Ik vind het leuk dat ik meer talen kan, want dan kan ik met meer mensen praten en ze beter verstaan,” vertelt ze trots.

Ze vindt het ook leuk om haar klasgenootjes woordjes uit Curaçao te leren. “Dan kunnen ze mij een beetje verstaan als ik Papiaments praat,” zegt ze lachend. In de klas vindt Lin spelling soms nog lastig, maar haar meester helpt haar goed als ze iets niet snapt.

Lin kijkt op school graag naar het Jeugdjournaal. “Soms snap ik niet alles wat ze zeggen, maar dan vraag ik het gewoon,” vertelt ze. Haar favoriete film is Kapitein Onderbroek, waarvan ze ook graag de boeken leest.

Later wil Lin dokter, zangeres of danseres worden. “Dat ga ik bereiken door veel te leren,” zegt ze vastberaden. En als ze zelf juf zou zijn, weet ze precies wat ze zou doen: “Ik zou kinderen iets uitleggen op een manier dat ze het echt snappen, bijvoorbeeld met spelletjes.”

Lin vindt het leuk om nieuwe kinderen op school te helpen met het leren van talen. Ze weet hoe fijn het is als iemand je begrijpt. “Ik ben trots op mijn taal,” zegt ze met een glimlach. “En ik vind het gezellig om met mijn vriendinnetjes te kletsen die ook Papiaments spreken.”

Razaqa:

Razaqa is 10 jaar en zit in groep 7. Hij spreekt drie talen: Indonesisch, Nederlands en Engels. Thuis praat hij het meeste Nederlands en op school ook. “Ik vind het goed dat ik meer talen kan spreken, want dan kan ik met meer mensen praten,” vertelt hij. “En het is ook een beetje stoer dat ik dat kan.”

Hij denkt dat andere kinderen dat ook vinden. “Ik denk dat ze het stoer vinden dat ik meerdere talen kan,” zegt hij glimlachend. Soms komt hij op school andere kinderen tegen die ook Indonesisch spreken. “Dat vind ik leuk,” vertelt hij.

Rekenen vindt Razaqa soms lastig, maar gelukkig krijgt hij goede hulp. “De meester helpt me als ik het niet snap en klasgenootjes soms ook,” zegt hij. Zijn favoriete film is Sjakie en de Chocoladefabriek en hij kijkt graag films in de klas.

Later wil Razaqa voetballer worden. “Dat ga ik bereiken door veel te trainen,” zegt hij vastberaden. Op het schoolplein is hij dan ook bijna altijd aan het voetballen.

Tot slot vertelt hij trots over iets wat hij erg lekker vindt: het eten uit Indonesië. “Ik ben trots op het lekkere eten uit mijn land,” zegt hij met een brede glimlach.