Het misverstand van ‘eigenaarschap’
Er zijn woorden die we in het onderwijs zo vaak gebruiken dat ze langzaam hun betekenis verliezen. Eigenaarschap is er zo één.
Loop binnen tijdens een willekeurige studiedag en het woord komt vanzelf voorbij. We willen eigenaarschap bij leerlingen, bij leerkrachten, in teams en, als het even kan, ook nog op organisatieniveau. Het klinkt goed. Actief. Verantwoordelijk. Betrokken.
Eigenaarschap veronderstelt iets concreets, maar leidt vaak tot onduidelijkheid
Maar hoe vaker ik het hoor, hoe minder duidelijk het wordt. Want hoe kun je ergens eigenaar van zijn, als iedereen dat is? In de praktijk merk ik dat eigenaarschap vaak iets anders betekent dan we hardop zeggen. Het wordt een vriendelijk verpakte opdracht: pak het op. Of nog preciezer: we verwachten iets van je, maar we maken niet helemaal duidelijk wat.
En precies daar begint het te schuiven. Eigenaarschap is namelijk geen houding. Het is ook geen gevoel. Het veronderstelt iets concreets: een taak, een doel, een resultaat, een keuze. Zonder dat blijft het een woord waarachter iedereen zich kan verschuilen. En dat is niet onschuldig. Het leidt tot gedoe in teams, tot leerlingen die niet weten waarop ze worden afgerekend en tot leerkrachten die verantwoordelijk zijn voor alles, maar nergens echt iets over te zeggen hebben.
Neem een teamvergadering waarin wordt besloten dat “het team eigenaarschap neemt over de differentiatie”. Iedereen knikt. Maar niemand weet wat dat de volgende ochtend concreet van hem of haar vraagt.
Misschien helpt het om het begrip terug te brengen naar de essentie. Een eigenaar weet drie dingen: wat van jou is, wat er van jou verwacht wordt en waarop je aanspreekbaar ben. Dat is ook meteen het alternatief voor het vrijblijvende gebruik van het woord. Niet: “jullie moeten meer eigenaarschap tonen”, maar: “dit is jouw taak, dit is het verwachte resultaat en op dit moment kijken we samen terug op wat het heeft opgeleverd”. Dat is geen
afrekening, maar hoort bij ieder vak!