Over de grens doe je nieuwe ideeën op
Koen Lutgendorff liep tijdens zijn pabo-opleiding drie maanden stage op een Canadese basisschool. Wat begon als een buitenlandse stage, groeide uit tot een waardevolle kennismaking met een onderwijssysteem dat verrassend veel overeenkomsten heeft met Nederland. Toch vielen hem ook verschillen op. “Vooral de dagelijkse aandacht voor een tweede taal maakte indruk op mij.”
Foto’s Emma Buisman
Toen Koen de kans kreeg om stage te lopen in een Engelstalig land, hoefde hij daar niet lang over na te denken. Via familiecontacten kwam hij terecht op een basisschool in Strathroy, een dorpje in de Canadese provincie Ontario. Drie maanden draaide Koen mee op de Mary Wright Public School, waar hij lesgaf aan een Grade 4, vergelijkbaar met groep 6 in Nederland. In het begin keek hij mee met zijn begeleider, maar al snel verzorgde hij zelfstandig lessen.
“Dat vond ik in het begin best spannend. Je merkt pas als je lesgeeft hoe ingewikkeld de Engelse taal eigenlijk is. Vooral tijdens spellinglessen moest ik goed nadenken over hoe je woorden fonetisch uitlegt. Juist omdat het voor mij niet vanzelfsprekend was, moest ik zoeken naar een manier waarop ik dat kon uitleggen.”
Elke dag Frans
Hoewel de Canadese school op veel punten leek op een Nederlandse basisschool, sprong één verschil er direct uit. “Iedere dag kwam er een vakleerkracht Frans in de klas voor een taalles van veertig minuten. Dat stond vast in het rooster en werd eigenlijk nooit overgeslagen. Bij ons krijgt Engels vaak maar een uurtje per week en dat vervalt soms ook nog als er iets anders tussenkomt. In Canada zie je dat de tweede taal echt prioriteit krijgt. Door er iedere dag aandacht aan te besteden, bouw je veel meer routine op.”
Ook de manier waarop lessen werden voorbereid, verraste hem. “Ik zag veel werkbladen langskomen. Voor sommige vakken, zoals Engelse literatuur, werkten ze met vaste methodes, maar voor wereldoriëntatie en andere vakken gebruikten ze vooral zorgvuldig samengestelde werkbladen. Mijn eerste gedachte was dat je met leerlijnen en methodes de ontwikkeling van leerlingen beter kunt opbouwen en volgen. Maar al snel kreeg ik in de gaten dat die werkbladen bewust waren gekozen en aansloten bij wat de leerlingen op dat moment nodig hadden.” Voor leerlingen met lees- en spellingproblemen was extra ondersteuning beschikbaar. “Zij kregen in kleine groepjes remedial teaching en werkten met speciale programma’s op de computer. Daar zat juist weer veel structuur in.”
Sterke samenwerking
Naast de lessen viel Koen vooral de samenwerking binnen het schoolteam op. “Er was veel overleg tussen de leerkrachten en de begeleiders van leerlingen die extra ondersteuning kregen. Iedereen hield elkaar op de hoogte en dacht mee over de vervolgstappen. Dat voelde heel vanzelfsprekend.” Ook de manier waarop de school omging met inclusief onderwijs maakte indruk. Leerlingen met een verstandelijke beperking hadden een eigen klas, maar zaten wel in hetzelfde schoolgebouw en maakten deel uit van dezelfde schoolgemeenschap. “Dat vond ik een mooie oplossing. Er was gespecialiseerde begeleiding, terwijl de kinderen toch onderdeel waren van de school.”
De sfeer in zijn eigen klas was vergelijkbaar met die in Nederland. “Kinderen zijn uiteindelijk overal kinderen. Ze maakten grapjes en wilden graag leren. Het was wel apart dat ze de meesters en juffen bij hun achternaam noemen: ik was mister Lutgendorff of, omdat ze mijn naam niet konden uitspreken, mister L. Dat creëerde wat afstand, maar die verdween door hun nieuwsgierigheid naar Europa en Nederland. Ik kreeg vragen als: ‘Hebben jullie daar cola?’ en ‘Hebben jullie ook supermarkten?’”
Grote klassen, grote speelpleinen
Ook de werkomgeving maakte van zijn stage een fijne ervaring, vertelt Koen: “De klaslokalen waren groot en het schoolplein was enorm. Tijdens de pauzes liepen de leerkrachten met portofoons rond. Als een kind viel of hulp nodig had, werd dat meteen doorgegeven. Dat was wel even wennen. Canada is een enorm land. Daarom kwamen veel leerlingen met de schoolbus naar school en waren ouders nauwelijks te zien op het schoolplein. Het contact met ouders verliep dus anders dan in Nederland. Als er iets besproken moest worden, gebeurde dat telefonisch of tijdens oudergesprekken.”
Daarnaast sprak Koen veel met ouders uit de inheemse gemeenschap, die graag zagen dat hun kinderen ook onderwijs zouden krijgen in hun oorspronkelijke taal. “Zij vonden het belangrijk om die taal levend te houden. Dat vond ik interessante gesprekken, omdat we in Nederland ook steeds vaker nadenken over meertaligheid.”
Kinderen laten groeien
De stage bevestigde voor Koen vooral waarom hij voor het onderwijs heeft gekozen. Inmiddels heeft hij zijn pabodiploma en studeert hij orthopedagogiek. “Ik weet nog niet precies waar ik uiteindelijk terechtkom, maar deze ervaring heeft me laten zien hoeveel je als leerkracht kunt leren door eens over de grens te kijken. Onderwijs is overal anders, maar uiteindelijk draait het overal om hetzelfde: kinderen zo goed mogelijk laten groeien.”