Profile

Dé basis voor het basisonderwijs

Professionalisering
08/09/2026
•
Leestijd 6-8 minuten

Een sterk klasklimaat begint bij gewoonten

Rust in de klas ontstaat niet vanzelf. Op Vrijeschool De Zevenster in Oldenzaal wordt die basis bewust opgebouwd met dagelijkse gewoonten. Zo komt er ruimte voor ontwikkeling, leren en kunstzinnige verdieping. Wat vraagt dat van leerkrachten, en wat kunnen andere scholen hiervan leren? We spreken met directeur Féminique Mulder en kwaliteitscoördinator Moos van Zuilekom.

Save the children

Foto’s Petra Bunnik

Aan het begin van een schooljaar investeren scholen veel tijd in groepsvorming. Klassen maken afspraken, oefenen samenwerkingsvormen en besteden aandacht aan de Gouden Weken. Toch ontstaat een prettige groepsdynamiek niet door afspraken alleen.
“Een goed klasklimaat begint niet bij regels, maar bij gewoonten,” zegt directeur Féminique. “Kinderen voelen zich veilig als ze weten wat er van hen verwacht wordt en als dagelijkse routines voorspelbaar zijn. Dan ontstaat ruimte om te leren, samen te werken en je te ontwikkelen.”
Op Vrijeschool De Zevenster is gewoontevorming de basis van het pedagogisch handelen. Niet als doel op zichzelf, maar als middel om kinderen stap voor stap zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en sociale vaardigheden te laten ontwikkelen.

Kwaliteitscoördinator Moos licht toe: “Gewoonten zorgen ervoor dat kinderen minder hoeven na te denken over de organisatie van de dag. Daardoor komt er mentale ruimte vrij voor het leren zelf.” Die gedachte sluit aan bij inzichten uit de cognitieve psychologie: voorspelbare routines verlagen de cognitieve belasting, waardoor leerlingen meer aandacht kunnen besteden aan de leerinhoud.
Gewoontevorming gaat daarbij verder dan het aanleren van praktische routines. Het gaat ook over de manier waarop je met elkaar omgaat. Hoe begroet je elkaar? Hoe luister je naar een klasgenoot? Hoe ga je zorgvuldig om met materialen? Hoe rond je een taak af? Juist die kleine, dagelijks terugkerende handelingen vormen de cultuur van een klas.

De leerkracht als voorbeeld
“Gewoontevorming begint niet bij instructie, maar bij de leerkracht zelf. Kinderen leren veel minder van wat je zegt dan van wat je iedere dag voordoet,” zegt Moos. “Ze kijken voortdurend hoe jij reageert, hoe je spreekt, hoe je luistert en hoe je met anderen omgaat.”
Dat principe, ook wel modeling genoemd, krijgt op de vrijeschool een centrale plaats. Nieuwe gewoonten worden eerst voorgedaan, daarna samen geoefend en vervolgens dagelijks herhaald totdat ze onderdeel worden van het handelen van de groep.
“Dat vraagt geduld,” zegt Féminique. “Gewoonten groeien doordat kinderen ze dag na dag ervaren en oefenen. Juist de herhaling maakt het verschil. Als routines stevig zijn, hoef je veel minder te corrigeren. Je bent niet voortdurend bezig met orde houden, maar kunt je richten op wat werkelijk belangrijk is: goed onderwijs.”

Ritme brengt rust
Naast herhaling speelt ook ritme een belangrijke rol. Binnen het vrijeschoolonderwijs wordt de schooldag bewust opgebouwd uit een afwisseling van inspanning en ontspanning. Grondlegger Rudolf Steiner beschreef dit als het ritme van inademen en uitademen: momenten waarop kinderen geconcentreerd denken worden afgewisseld met activiteiten waarbij ze bewegen, zingen, creëren of praktisch aan het werk zijn.
Volgens Féminique is dat geen organisatorische keuze, maar een pedagogische. “Na een intensieve reken- of taalles hebben kinderen iets anders nodig. Door afwisseling aan te brengen blijft de aandacht beter behouden en voorkom je dat spanning zich opstapelt. Als een klas onrustig wordt, stellen we de vraag: is het ritme nog in balans? Zo wordt klassenmanagement meer dan reageren op gedrag. Het begint bij het bewust ontwerpen van een dagritme waarin kinderen kunnen floreren.”

De leerkracht groeit mee
Gewoonten ontstaan niet in een losse les of in een enkele week aan het begin van het schooljaar. Ze groeien in de tijd, door herhaling, herkenning en relatie. Op vrijescholen gaan leerkrachten daarom meerdere jaren met dezelfde klas mee.
“Gewoontevorming heeft tijd nodig,” zegt Féminique. “Als je ieder jaar opnieuw moet beginnen, verlies je veel van die opbouw. Door meerdere jaren met een klas te werken, ontstaat er een gezamenlijke geschiedenis. Dat maakt gewoonten steviger en het klasklimaat rustiger. De duur van de relatie tussen leerkracht en leerlingen is ook van belang bij het creëren van een veilig klimaat. Kinderen ontwikkelen zich het beste als ze weten waar ze aan toe zijn. Als een leerkracht voorspelbaar is in gedrag, toon en verwachtingen, ontstaat er vertrouwen. En vanuit vertrouwen durven kinderen te leren en fouten te maken.”
Die voorspelbaarheid zit niet alleen in regels of afspraken, maar vooral in dagelijkse interacties. Hoe wordt een conflict benaderd? Hoe reageert de leerkracht op onzekerheid of druk gedrag? Wat gebeurt er als iets misgaat?
“Dat zijn de momenten waarop je als leerkracht je pedagogische houding laat zien,” zegt Moos. “En juist omdat je meerdere jaren samenwerkt, kun je daar bewust in groeien.
Tegelijkertijd vraagt dat ook iets van de professional zelf. Binnen de vrijeschool wordt de ontwikkeling van de leerkracht gezien als een continu
proces. “Wat een kind in jou oproept, zegt ook iets over jezelf,” zegt Féminique. “Als je merkt dat gedrag je triggert, is dat niet alleen een kwestie van corrigeren, maar ook van reflectie. Wat vraagt dit van mij? Hoe blijf ik rustig en helder in mijn reactie?”
Die houding is geen losse methode, maar onderdeel van het dagelijkse werk. Veel teams starten de dag met een gezamenlijk moment van afstemming, waarin bewust wordt stilgestaan bij de pedagogische opdracht.

Als het schuurt
De langere relatie betekent niet dat alles vanzelf gaat. Juist doordat leerkracht en leerlingen elkaar beter kennen, komen ook spanningen en patronen sneller aan het licht. “Je kunt niet wegkijken,” zegt Féminique. “Als iets niet goed loopt, blijf je samen in die relatie. Dat vraagt om professionele moed. Soms is gedrag van een kind een spiegel. Dan vraagt het niet alleen om een pedagogische aanpak, maar ook om zelfreflectie. Dat maakt het werk soms intensief, maar ook betekenisvol.
In plaats van wisselen of loslaten, wordt er gezocht naar begrip en ontwikkeling binnen de bestaande relatie. Dat is niet altijd eenvoudig, maar wel essentieel voor duurzame groei.”

De school als gemeenschap
“Op de vrijeschool groeit niet alleen de klas, maar ook de school als geheel door in de tijd,” zegt Féminique. “Zo ontstaat iets wat verder gaat dan losse groepen leerlingen: een gemeenschap met een eigen cultuur en ritme.
“Een eigen cultuur ontstaat niet vanzelf. Die bouw je samen, dag na dag, jaar na jaar. Je ziet de eigen cultuur terug in het dagelijks schoolleven én op gezamenlijke momenten door het jaar heen. Binnen die bredere gemeenschap vormen de klassen kleinere leefgemeenschappen. En in beide lagen, school én klas, speelt gewoontevorming een stille, maar bepalende rol.”

De ‘vrij’ in vrijeschool

Het woord ‘vrij’ in vrijeschool verwijst naar de pedagogische vrijheid van de school en de leerkracht om het onderwijs vorm te geven, binnen de wettelijke kaders die voor alle basisscholen gelden.
Vrijescholen werken aan dezelfde kerndoelen en voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen als andere scholen.
De vrijheid zit in de manier waarop deze doelen worden bereikt. Dit betekent dat leerkrachten de professionele ruimte hebben om onderwijs af te stemmen op de ontwikkeling van hun leerlingen en daarbij een evenwicht te zoeken tussen kennisverwerving, kunstzinnige vorming, beweging en praktische ervaring.

Drie handvatten voor gewoontevorming in de klas

1. Begin de dag altijd op dezelfde manier
Een vaste start geeft herkenning en rust. Denk aan een begroetingsmoment, het ophangen van jassen, een kort gezamenlijk begin of een vaste ochtendactiviteit. Hoe voorspelbaarder de start, hoe sneller leerlingen in een werkhouding komen.

2. Voordoen is krachtiger dan uitleggen
Laat als leerkracht zien wat je verwacht. Hoe je een taak begint, hoe je materialen gebruikt, hoe je samenwerkt of opruimt. Kinderen leren gedrag vooral door observatie en herhaling, niet door instructie alleen.

3. Werk met vaste overgangsrituelen
Overgangen tussen activiteiten zijn momenten waarop onrust ontstaat. Door vaste rituelen te gebruiken (een lied, een kort ­signaal, een opruimmoment of stilte) blijft de groep in verbinding en ontstaat er minder verlies van focus.

Petra Bunnik

Petra Bunnik is onderwijsadviseur bij onder andere ‘Strategie voor Leren’ (strategievoorleren.nl) en verzorgen trainingen in het primair en vervolgonderwijs.

Féminique Mulder

Féminique Mulder is directeur op Vrijeschool De Zevenster in Oldenzaal.