Profile

Dé basis voor het basisonderwijs

Sociaal-emotionele ontwikkeling
16/06/2026
Leestijd 4-6 minuten
Geschreven door Anton Horeweg

Omgaan met dwars en opstandig gedrag

Je laat de klas een taalles maken en ziet dat een leerling niet meedoet. Als je er iets van zegt, roept hij boos: “Ik ben toch bezig!” of “Dat ga ik écht niet doen!”
Hoe ga je om met dit soort opstandig gedrag?

Save the children

“Dat ga ik écht niet doen!”

Je kunt gedrag bekijken vanuit het ABC-model. Antecedents-Behaviour-Consequences. Je kijkt naar wat er voorafgaat aan het gedrag, welk gedrag je ziet en wat er daarna gebeurt. Je kunt op alle drie de momenten ingrijpen:

  • Antecedent (vooraf):
    De vrienden van Milan dagen hem uit om iets grappigs te doen. Je spreekt de jongens toe.
  • Behaviour (gedrag):
    Milan roept een grap door de klas. Je gaat naar hem toe, zegt hem te stoppen en aan het werk te gaan.
  • Consequence (achteraf):
    De klas lacht om zijn grap. Het werken stopt. Je spreekt de groep aan en zegt wat ze beter kunnen doen om Milan te helpen.

Je kunt dus op drie momenten ingrijpen, maar meestal reageer je alleen op ‘B’ (gedrag). Dat is logisch, maar daarmee verdwijnt het hinderlijke gedrag nog niet. Het is mooier als je dit gedrag voor kunt zijn. Je doet een interventie vóórdat het lastige gedrag te zien is. Dat vraagt natuurlijk wel een goede observatie.

Zie je het opstandig gedrag aankomen, ga dan naar de betreffende leerling toe en vraag of je de opdracht goed hebt uitgelegd. Zo krijgt het kind de kans om een aanvullende vraag te stellen. Het kan namelijk zijn dat de leerling onzeker is of de opdracht niet goed begrijpt. Je één-op-één-aandacht kan helpen om hem of haar aan het werk te krijgen. Als de leerling begint, geef je meteen een compliment.

Heldere afspraken
Een goede organisatie van je klassenmanagement, met duidelijke verwachtingen en veel routines, is ook een element van ‘vóór’. Een positieve sfeer, aanwezige ondersteuning tijdens het leren, fouten mogen maken; het zijn allemaal basisvoorwaarden die het mogelijk maken om ‘ingewikkelder’
gedrag in goede banen te leiden.
Zichtbare klassenregels horen hier ook bij. Die zorgen ervoor dat een kind letterlijk kan zien waaraan het zich moet houden. Dit geeft houvast en veiligheid. Het voordeel is dat je overtredingen kunt benoemen door niet naar de overtreder, maar naar de regels te verwijzen. Dat voelt vaak minder aanvallend en afkeurend.
Simone, die door je les heen praat, kun je dan als volgt aanspreken:
“Simone, weet je wat de klassenregel is als we aan een opdracht werken en het stoplicht op rood staat?”
“Ja, dan moeten we stil werken.”
“Wat goed dat je dat weet. Ga dat maar gauw weer doen.”
Deze benadering is positief, maar ook heel beslist. Er is geen ruimte voor discussie. Als Simone zegt dat ze de regel niet kent, roep je haar bij je en laat je haar de regels oplezen.

Niet weten hoe het moet
Er zijn kinderen die thuis niet hebben geleerd welk gedrag op school acceptabel is. De ‘thuisnorm’ en de ‘schoolnorm’ komen niet overeen. Probeer met een systemische contextuele blik naar gedrag te kijken. Dat betekent dat je de norm op school goed moet uitleggen en oefenen.

Pittige kinderen
Sommige kinderen zijn snel verdrietig of erg boos, komen vaak in ‘opstand’, hebben moeite met ‘nee’ en met ‘moeten’. Deze kinderen kunnen bazig, koppig en dwingend gedrag vertonen. Ze zijn ook minder gevoelig voor straf en hebben moeite met het onderdrukken van hun impulsen. Deze kinderen botsen op school nog weleens met de leerkracht, zeker als die óók temperamentvol is.
Hoe je als leerkracht reageert op gedrag van leerlingen is erg belangrijk. Je moet het gedrag begrenzen en duidelijke opdrachten geven (gedragsverwachtingen). Ook kun je complimenten of beloningen geven (Onderwijskennis.nl, 2026).

Gedragsverwachtingen
Gedragsverwachtingen geef je in de ik-vorm en stel je positief. Je benoemt wat een leerling moet doen. Het is geen keuze, vandaar dat je geen vraagvorm gebruikt (Horeweg, 2020).
“Jongens en meisjes, haal het rekenboek uit je kastje en open het op bladzijde vijf. Daarna ben je stil en kijkt naar mij.”
Geef de leerlingen de tijd om de opdracht uit te voeren. De meeste leerlingen zullen dat doen, maar misschien is er iemand die de opdracht niet uitvoert. Ook dan stel je de opdracht positief, omdat je wilt dat het kind een alternatief leert voor het verkeerde gedrag. Je benoemt het doelgedrag. Hoe beter je dat doet, hoe meer kans op een positief effect:
“Sander, ik heb je net gezegd je boek te pakken. Ik zie dat je dat nog niet gedaan hebt. Pak je boek.”
De opdracht moet even verwerkt worden en misschien is het kind wel in tweestrijd met zichzelf. Het kletsen was erg leuk, maar jouw opdracht is wel serieus, dus misschien is het beter om te luisteren. Geef de opdracht, ‘negeer’ het kind even en kijk wat er gebeurt. Als er niets gebeurt, herhaal je de opdracht nog een keer op rustige toon:
“Je pakt nu je boek of je werkt na schooltijd aan deze opdracht. Kijk maar wat jij handiger vindt.”
De rustige toon is belangrijk, omdat ergernis of boosheid meestal een tegenreactie uitlokt die even boos is en dan kom je in een machtsstrijd. Geef de leerling weer even tijd. De keuze versterkt het gevoel van autonomie, wat op zo’n moment voor de leerling betekent dat hij nog steeds een keuze heeft. De kans op conflicten wordt groter als er geen keuze meer is.

Straf geven
Het is goed om te bedenken dat er na ‘straf geven’ eigenlijk niets meer hersteld kan worden. Kinderen die straf hebben, hebben niets te verliezen. Geef dus niet om kwart over negen al een aantal kinderen straf. Zie het als een laatste redmiddel (Horeweg, 2021).

Zo reageer je op probleemgedrag
Bij aanhoudend probleemgedrag is er een aantal reacties waarvan is aangetoond dat ze het gedrag in stand houden (Maag, 2018).

Dit werkt minder goed: 

  • Inconsequent handhaven van grenzen
  • Onduidelijke opdrachten
  • Opdrachten op een onvriendelijke manier geven
  • Veel aandacht schenken aan ongewenst gedrag
  • Steeds harder straffen
  • Geen aandacht voor positief gedrag
  • Te weinig toezicht, niet ‘zichtbaar’ zijn

Dit werkt beter:

  • Duidelijke, voorspelbare grenzen die rustig en consequent worden gehanteerd
  • Helder en concreet geformuleerde opdrachten
  • Kalm, respectvol en relatiegericht communiceren
  • Gericht aandacht geven aan gewenst gedrag
  • ‘Natuurlijke’ consequenties met uitleg en herstelmogelijkheid
  • Bewust en specifiek bekrachtigen van positief en taakgericht gedrag
  • Actief rondlopen, nabijheid tonen en preventief aanwezig zijn

Opstandig gedrag vraagt om duidelijkheid, nabijheid en regie. Als je vooraf investeert in heldere verwachtingen en die rustig en consequent handhaaft, vergroot je de kans op gewenst gedrag én behoud je een goede relatie.

Opdrachten die niet werken

  • Opdracht in de vragende vorm: “Wil je even hier komen?”
  • Opdrachten vanaf een afstand, ‘over de hoofden heen roepen’.
  • Opdrachten op geërgerde/verwijtende toon: “Wanneer ga je eens beginnen?”
  • Opdrachten die negatief gesteld zijn: “Kijk eens niet zo om je heen.”
  • Samengestelde opdrachten: “Stop met praten, pak je boek, pak je pen, lees mee en ga eens rechtop zitten!”
  • Snel achter elkaar afgevuurde opdrachten.
Book iconLiteratuurlijst
  • Horeweg, A. (2020). Voorkom lastig gedrag. Wat kun jij als leerkracht doen? Pica. 
  • Horeweg, A. (2021). Handboek gedrag op school. Pica. 
  • Maag, J. W. (2018). Behavior management: From theoretical implications to practical applications (2nd ed.). Cengage Learning. 
  • Onderwijskennis. (2022, 30 maart). Invloed van gedragsinterventies op leeropbrengsten. Geraadpleegd op 4 februari 2026, van https://www.onderwijskennis.nl/themas/gedragsproblemen