Profile

Dé basis voor het basisonderwijs

Interviews
04/11/2019
Leestijd 6-8 minuten
Geschreven door Ronald Buitelaar

‘Besturen moeten meer eigen keuzes maken’

Arie Slob is sinds 26 oktober 2017 minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media. Onderwijs en politiek zijn twee rode draden in het leven van Slob. Zo was hij werkzaam als leraar geschiedenis/maatschappijleer en schoolbegeleider, en voor de ChristenUnie actief in de gemeente- en landelijke politiek. De periode in en rond het Binnenhof kwalificeert hij als tropenjaren. Dat hij in 2017 toch naar Den Haag terugkeerde, had vooral te maken met zijn enthousiasme voor het regeerakkoord en de portefeuille die hem werd aangeboden: ‘Er zat veel ambitie in het regeerakkoord en het meeste extra geld ging naar onderwijs. Dat ik ook nog het verzoek kreeg om de onderwijsportefeuille op me te nemen, had ik in mijn stoutste dromen niet durven dromen. Daar hoefde ik echt niet voor gemotiveerd te worden.’

Save the children

Wat drijft u?
‘Het onderwijs was niet het eerste waar ik aan dacht toen ik geschiedenis studeerde. Toch heb ik met veel plezier elf jaar in het middelbaar onderwijs voor de klas gestaan. Het is moeilijk in woorden te vatten waarom onderwijs zo mooi is. Wat mij vooral fascineert is dat je een bijdrage mag leveren aan de ontwikkeling van kinderen. Dat is groots en uitdagend. Daarnaast heeft je werk meerwaarde voor de samenleving. Ik denk daarbij niet alleen aan economische aspecten, maar ook aan het begeleiden van jongeren naar hun plaats in de samenleving. De vakken die ik gaf, geschiedenis en maatschappijleer, zijn daarvoor een mooie combinatie. Bij geschiedenis keken we terug naar hoe de samenleving zich gevormd heeft. Bij maatschappijleer borduurde ik daarop voort. Hoe sta je met die kennis in de samenleving van nu? Wat is je plek? Hoe ga je daarmee om? Ik vind het fascinerend om daarmee bezig te zijn. Daar kan ik uren over praten.’

Arie Slob: ‘De tijd dat elk kind hetzelfde moest kennen en kunnen, is voorbij’

Wat is goed onderwijs?
‘Ik vind dat je die vraag vanuit het gezichtspunt van het kind moet beantwoorden. Elk kind moet zich naar zijn mogelijkheden en beperkingen kunnen ontwikkelen zodat het zijn plek in de samenleving kan innemen. De tijd dat elk kind hetzelfde moest kennen en kunnen, is voorbij. We weten dat kinderen zich verschillend ontwikkelen en dat de leerkracht keuzes maakt in wat hij wel of niet van ze vraagt. Een leerkracht heeft daarbij altijd de kinderen op zijn netvlies.’

Dat klinkt als passend onderwijs. De vraag is of het onderwijs dat waar kan maken.
‘De omgang met extra zorgvragen speelt inderdaad een rol. Dat maakt het best ingewikkeld en daar moet een balans in gevonden worden. Ook in wat we vragen van scholen. Ik denk dat het helder moet zijn wat elk kind minimaal moet leren zodat leerkrachten ruimte overhouden om specifieke omstandigheden het hoofd te kunnen bieden. Maar het is evident dat het werken met kinderen met specifieke vragen ingewikkeld is. Dat weten we en daarbij ondersteunen we scholen.‘

Besturen hebben geld gekregen en we hebben gezien dat het niet overal besteed is waar het aan besteed had moeten worden’

Wat vraagt goed onderwijs van een leerkracht?
‘Voorop staat dat je je vak beheerst. Dat moet op orde zijn en is nooit af. Je moet je blijven ontwikkelen. Daarnaast moet je een beetje van kinderen gaan houden. Een plekje voor ze willen maken. Als het je lukt om die twee aspecten te combineren, kun je een hele goede leerkracht worden.’

Met name op het eerste aspect hoor ik regelmatig kritiek. Het zou al een tijdje met de vakkennis rammelen.
‘Ik vind het lastig om daarop te generaliseren. Ik kom veel en vaak op scholen en zie daar echt veel kwaliteit voor de klas staan. Mensen die hun vak beheersen. Wel vinden mijn collega (minister Ingrid van Engelshoven, red.) en ik het belangrijk dat de opleidingen blijven aansluiten bij de eisen die samenleving en onderwijs aan leerkrachten stellen. Als scholen het nodig vinden dat beginnende leerkrachten eerst nog door hun eigen wasstraat gaan voor ze de klas ingaan, gaat er iets niet goed.’

Arie Slob: ‘Als scholen het nodig vinden dat beginnende leerkrachten eerst door hun eigen wasstraat gaan voor ze de klas ingaan, gaat er iets niet goed’

Maar moeten die scholen dan niet ook zelf meer werk maken van het goed begeleiden van startende leerkrachten?
‘Die vraag doet mij terugdenken aan mijn eigen start in het onderwijs. Ik werd als beginnend docent voor uit de voegen puilende klassen gezet en had twee schoolagenda’s nodig om al mijn leerlingen in op te schrijven. Ik vind het nog bizar als ik eraan terugdenk. Ik heb meters kunnen maken, maar het is een wonder dat ik overeind ben gebleven. Gelukkig had ik een collega, Adriaan, die oog voor mij had. Adriaan liep zo’n jaar of tien op mij vooruit en sprak af en toe met mij. Niet omdat het een formele opdracht was, maar gewoon als een warm mens die zijn hand reikte naar een startende collega. Goed personeelsbeleid is daarom een cruciale factor voor het vasthouden van docenten. Dat begint bij steeds meer scholen en besturen op het netvlies te komen, maar er kunnen nog meters gemaakt worden.’

Neemt het maken van eigen beleidskeuzes door scholen en besturen eigenlijk toe?
‘Ik heb er geen statistische gegevens van, maar ik zie wel dat steeds meer scholen hiermee aan de slag gaan. Zo was ik laatst in Rotterdam bij de Mariaschool, waar gewerkt wordt met het mede door Jaap Versfelt ontwikkelde LeerKracht. Dat gebeurt daar heel systematisch en doelgericht. Ik vind dat een goede ontwikkeling, want het moet op schoolniveau gebeuren. Daar moeten de keuzes gemaakt worden. Uiteraard onder verantwoordelijkheid van en samen met het bestuur. Dat is het bevoegd gezag. Ze moeten het samen dragen en zorgen dat het niet alleen in een schoolgids wordt opgeschreven, maar dat er structureel aandacht voor is.’

Hoe krijgt u dat bij iedereen voor het voetlicht?
‘Door het in sectorakkoorden vast te leggen. Hoewel dat nog geen garantie is dat het dan ook overal gebeurt.’

Dat hebben we met de functiemix gezien.
‘Zeker. Jammer dat u dat pijnlijke onderwerp weer naar voren haalt, want dat was echt een vervelende situatie. Besturen hebben geld gekregen en we hebben gezien dat het niet overal besteed is waar het aan besteed had moeten worden. Toch zullen beleidskeuzes door besturen gemaakt moeten worden. Wij kunnen vanuit het ministerie geen missives doen uitgaan. Wel moeten we afspraken met de sector blijven maken en erop aan kunnen dat die ermee aan de slag gaat. Als dat niet gebeurt, hebben we een onderwerp met elkaar. Dat gebeurt dus af en toe ook. Goede voorbeelden zet ik graag in het zonnetje. Ik heb daar de afgelopen jaren schitterende voorbeelden van gezien, zoals de Alan Turingschool uit Amsterdam. Daar had men door dat ze er met een overladen curriculum niet kwamen en zijn bewuste keuzes gemaakt. Dat is ook wat wij voor ogen hebben met de herziening van het curriculum. Wij willen de overladenheid eruit halen zodat leerkrachten weer ruimte krijgen voor eigen keuzes. Ook moet er meer zicht komen op doorgaande leerlijnen zodat scholen niet langer het gevoel hebben dat ze op een eiland werken.’

Maar is het lerarentekort geen grotere bedreiging?
‘Dat is inderdaad een groot probleem, vooral in de grote steden. Gelukkig zien we dat er weer meer mensen het onderwijs in komen. De pabo-instroom is met 11 procent toegenomen en de zij-instroom gaat haast aan zijn eigen succes ten onder. Maar we zijn er nog niet. Daarom gaan we door met onze aanpak van het lerarentekort, samen met de schoolbesturen, vakbonden, gemeenten en lerarenopleidingen.’

Zij-instromers verdwijnen weer net zo hard als de begeleiding niet op orde is.
‘Dat wordt te snel gezegd. Er verdwijnen er wel, maar er blijven er ook veel. Hoewel het een opgave is om ze vast te houden. Het goede nieuws is dat steeds meer mensen van buiten het onderwijs bewust voor het onderwijs kiezen. Zeker in het primair onderwijs. Met de discussie over de salarissen lijkt dat tegenstrijdig, maar de werkelijkheid is dat mensen graag in het primair onderwijs gaan werken. En gelukkig hebben we ook nog het nodige aan de salarissen kunnen doen.’

Niet genoeg vindt het onderwijsveld.
‘Dat mogen ze vinden, maar laat ik het in historisch perspectief plaatsen. Er is in jaren niet zoveel geld naar onderwijs gegaan. Grosso modo heeft dat zelfs tot een salarisverhoging van gemiddeld 9,5 procent geleid. Neem ook het werkdrukgeld. Dat wordt overal in het land als bijzonder prettig ervaren en heeft in het primair onderwijs mede voor 3000 fte aan extra formatie gezorgd.’

Toch willen werkgevers en werknemers dat u in het kabinet harder pleit voor meer geld. Iets minder Aardige Arie en wat meer de Arie Bombarie van vroeger.
‘Ach, wat zien mensen van mij. Ik ben niet iemand die voor de bühne een nummertje gaat maken om mensen de indruk te geven dat ik heel daadkrachtig bezig ben. Wij werken hier iedere dag keihard aan ingewikkelde dossiers en hebben een aantal heftige zaken rond bijvoorbeeld de examens tot een goed einde gebracht. Ik doe dus wat er in mijn vermogen ligt, pleit waar mogelijk voor extra geld, haal investeringen waar mogelijk naar voren en zorg dat extra geld zo snel mogelijk op de juiste plek terechtkomt.’

Heeft u er eigenlijk last van dat protesten vaak persoonlijk gemaakt worden?
‘Kritiek is van alle tijden en wij zijn soms een beetje de Kop van Jut. Dat hoort bij het vak. Toch krijg ik nog steeds ontzettend veel energie van de gesprekken met leerkrachten in scholen. Natuurlijk zie ik de rimpels boven hun ogen en spreken we over wat niet goed gaat. Ik ben daarom blij met de toezegging van de minister president dat we gaan kijken wat we met aanvullend geld extra kunnen doen. Voor de rest moet ik gewoon energiek mijn werk blijven doen. Daar hebben de mensen recht op.’

* Het interview is afgenomen voor de presentatie van de voorstellen voor een vernieuwd curriculum.