‘Hoe concreter, hoe beter’
Anne Bert Dijkstra is onderwijssocioloog en als hoogleraar verbonden aan de afdeling Onderwijswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam, waar hij zich al geruime tijd bezighoudt met burgerschapsonderwijs en de socialiserende taak van de school. Hij is onder meer programmaleider van de internationaal vergelijkende ICCS-onderzoeken naar burgerschapsonderwijs voor Nederland in 2016 en 2022, en publiceert over schooleffectiviteit, opbrengsten en evaluatie en beleid rond burgerschapsonderwijs.
Anne Bert Dijkstra ziet burgerschap als opdracht voor onderwijs én samenleving
Je bent al jaren bezig met burgerschap, nog voordat het volop in de schijnwerpers kwam te staan. Alle reden om daar dieper op in te gaan, maar eerst een stap terug. Hoe is die grote interesse voor de vormende en maatschappelijke kant van het onderwijs ontstaan?
‘Onderwijs wordt wel vergeleken met een sleutel, die toegang geeft tot mogelijkheden in het leven, bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt. Dat geldt ook breder, in de samenleving. De school helpt jonge mensen hun talenten te ontdekken en ontwikkelen, en de competenties te verwerven die helpen bij het verwezenlijken van je idealen. Die competenties zijn ook belangrijk voor het samenleven met anderen. Of je die nu van voetbal kent of als onbekende tegenkomt in het openbaar vervoer. Dat is nog meer van belang wanneer er besluiten genomen moeten worden die iedereen aangaan: het functioneren van onze democratie. Sociale en maatschappelijke vorming gaan dus over samenleven met anderen, en hoe je daarbij kunt realiseren wat jij belangrijk vindt.’
Is het vraagstuk niet van alle tijden?
‘Leren gaat samen met vorming, al zolang de school bestaat. Sterker nog, veel leerkrachten zien het als voornaamste opdracht. Ik ken er geen die niet gemotiveerd is om jonge mensen te helpen hun plaats in te nemen in de samenleving en eerst en vooral dáárvoor uit bed komt. Samenleven gaat, meer dan voorheen, echter niet vanzelf. Daarbij speelt onder meer de sterk toegenomen diversiteit een rol: verschillen in etniciteit, geloof, opvattingen, leefstijlen en meer. Het in stand houden van cohesie, die nodig is voor een goed functionerende samenleving, vraagt meer aandacht dan voorheen. Zo brengt technologische ontwikkeling veel voordelen, maar ook nieuwe opgaven voor de school. Wat er op dit moment elders in de wereld gebeurt, kan op het schoolplein om de hoek binnen enkele minuten tot spanningen leiden tussen leerlingen. De grenzen van ruimte en tijd vervagen, en sociale media verbinden niet alleen, maar leiden ook tot bubbels en desinformatie.
Wie dat afzet tegen de verzuilde samenleving enkele decennia geleden, ziet sterke sociale verbanden, zodanig dat de overheid zich lang beperkte tot aandacht van kwalificatie, en de socialiserende functie van onderwijs overliet aan de zuilen. Met de verandering van de samenleving, verandert ook het beroep van de overheid op scholen om bij te dragen aan burgerschap. Om ook morgen in een vrije, democratische samenleving te kunnen leven, zijn burgers die democratische waarden in de praktijk brengen, onmisbaar. Er loopt een rechtstreekse lijn van sociale samenhang en democratische waarden naar bijvoorbeeld onafhankelijke rechtspraak. Dat is van levensbelang. Immers, democratie kun je maar één keer afschaffen, en de alternatieven, zoals autocratie of dictatuur, zijn weinig aantrekkelijk. De recente roep om vrijheid in Iran illustreerde dat schrijnend.’
Democratie, sociale cohesie… Maken dergelijke grote begrippen het onderwerp burgerschap voor de school niet te abstract?
‘Die begrippen zijn in de praktijk klein en concreet. Een goed vertrekpunt zijn de leerdoelen die de school voor bevordering van burgerschap kiest. Over welke kennis, vaardigheden en houdingen zouden leerlingen bij het verlaten van de school volgens de school moeten beschikken? Hoe concreter, hoe beter. Als een school ervoor kiest om aandacht te geven aan, bijvoorbeeld, verdraagzaamheid: wat bedoelt de school dan? Veel burgerschapsonderwijs wordt gedreven door mooie intenties, denk aan: het voorbereiden op de multiculturele samenleving. Maar welke concrete leerdoelen daarbij horen, en hoe het aanbod in midden- en bovenbouw is afgestemd, is niet altijd duidelijk. Toch zijn die onmisbaar voor de bevordering van burgerschap. En: hebben we inzicht in de resultaten van ons onderwijs, ook als het om burgerschap gaat? Opbrengstgericht onderwijs is, net als voor andere leerdomeinen, ook voor burgerschap belangrijk.’
‘De grenzen van ruimte en tijd vervagen’
Kan de overheid hier een dwingender rol spelen?
‘Scholen hebben veel autonomie. Dat past bij het Nederlandse systeem, maar zeker bij het onderwerp burgerschap. Juist als het om waarden gaat, is het goed dat de overheid terughoudend is en scholen veel ruimte geeft. Daar komt bij dat burgerschapsonderwijs, om effectief te kunnen zijn, moet aansluiten bij de leefwereld van leerlingen. Wat democratische waarden zijn, krijgt betekenis in concrete situaties, die voor leerlingen relevant zijn. Wanneer een Franse leerkracht vanwege religieuze redenen wordt vermoord, kan ik me voorstellen dat een school ervoor kiest om zo’n schokkende gebeurtenis te bespreken in de klas. Ik kan me óók voorstellen dat een school dat níet doet, bijvoorbeeld als de leerlingen al zo vaak negatief worden bejegend vanwege hun geloof en gevraagd worden zich van zo’n daad te distantiëren. Zo’n school zou ervoor kunnen kiezen om nu rust en veiligheid centraal te stellen, omdat bevordering van verdraagzaamheid op andere momenten in haar onderwijsplan ruimschoots aandacht krijgt. Hoe een school burgerschap invult, verschilt van school tot school, week tot week en van regio tot regio.’
Er zijn tal van initiatieven, werkgroepen en denktanks met burgerschap en onderwijs bezig. De burgerschapswet is met brede politieke steun aangenomen in 2005 en in 2021 vernieuwd. En toch las ik in een recent interview dat je desondanks maar weinig ontwikkeling ziet op dit gebied. Is dat niet ook te wijten aan de eigen verantwoordelijkheid van scholen?
‘Scholen geven vaak aan burgerschap ingewikkeld te vinden. Ik weet niet of dat werkelijk het geval is, maar dat concrete leerdoelen, een doorgaande leerlijn en inzicht in resultaten vooralsnog vaak ontbreken, is een feit. Dat maakt het verstandig te investeren in adequate ondersteuning van scholen, en het is de vraag of dat voldoende het geval is. Enerzijds zijn duidelijke maatschappelijke verwachtingen nodig, en de verscherping van de burgerschapswet biedt die: bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid, non-discriminatie en autonomie. De ruimte die scholen anderzijds hebben om zelf de verdere invulling te kiezen, vraagt ontwikkelvermogen en, als dat er niet afdoende is, ondersteuning.’
‘Jonge generaties staan voor grote uitdagingen’
Veel hangt af van de competenties en het engagement van leerkracht en school?
‘Een goede leerkracht heeft oog voor wat de leerling drijft, sluit aan bij zijn of haar leefwereld en helpt ze hun weg te vinden, ook in het omgaan met democratische waarden. Dat neemt het belang van een planmatige aanpak niet weg. Zo’n aanpak overstijgt de individuele leerkracht, en vraagt een benadering van de school, waarin de leerstof en aanpak over vakken, domeinen en leerjaren zijn afgestemd op de uiteindelijk te bereiken leerdoelen. Zo’n aanpak maakt het werk van de leraar ook gemakkelijker. Een schoolbrede aanpak kan de terughoudende opstelling ‘wie ben ik om tegen jou te zeggen hoe je moet leven?’ veranderen in een morele lijn die door school en de gemeenschap gedragen wordt.’
Die vertwijfeling is begrijpelijk in zo’n diverse samenleving…
‘Waarden kunnen schuren, binnen een school net zo goed als in de samenleving. Of zwarte piet zwart, wit of regenboog gekleurd is, of het slavernijpaneel op de Gouden Koets aanpassing vraagt of dat het omkeren van de vlag gepast protest is, is niet de kern van burgerschapsonderwijs. Waarom het gaat, is dat leerlingen leren omgaan met schurende waarden, daarin zelf een standpunt leren te kiezen, binnen de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.’
‘Democratie kun je maar één keer afschaffen’
Hoe ligt de verhouding tussen het kritische en het normatieve aspect van burgerschap in het primair onderwijs?
‘Burgerschap gaat ook over maatschappelijke kwesties. Je kunt je voorstellen dat leerkrachten in een wijk met veel sociale problemen, leerlingen waarschuwen voor de verleidingen van snel, met criminaliteit verdiend, geld. Maar welke boodschap geeft een school in een regio met hardnekkige armoede en werkloosheid met de oproep: ‘doe je best, dan krijg je een mooie baan’? Maatschappelijke ongelijkheid lijkt me, zeker als de leerwereld van leerling in dit voorbeeld bestaat uit een werkloze vader, een arbeidsongeschikte tante en een aan een bedrijfsziekte overleden opa, een relevant aspect van aandacht voor solidariteit of het functioneren van wetten en democratie. Kritiek op de samenleving kan dus onderdeel zijn van burgerschapsonderwijs.’
Als overheidsbeleid tegenstrijdig is met de ideeën die in het onderwijs worden nagestreefd…
‘Een verwijzing naar democratische waarden zonder meer, kan weinig geloofwaardig zijn. Burgerschap gaat over bevordering van basiswaarden, maar ook over zelfstandig leren denken en kritische zin. Jonge generaties staan voor grote uitdagingen. De voortgaande digitalisering, waardoor de plaats van arbeid verandert en tot nieuwe verdelingsvraagstukken leidt, is daarvan een voorbeeld. Kan een basisinkomen een oplossing zijn? Het is slechts één voorbeeld, maar is er voor alle leerlingen, in het algemeen vormend zowel als in het beroepsgerichte onderwijs, aandacht voor zowel de kritische componenten als voor de onderdelen die gaan over het belang van het naleven van regels? Steeds geldt: bied hoop en handelingsperspectief voor leerlingen, om de eigen idealen te kunnen realiseren en tot bloei te komen, in een samenleving die recht doet aan iedereen.’
Prof. dr. Anne Bert Dijkstra is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van de Academische Werkplaats Sociale kwaliteit van onderwijs. Hij is tevens werkzaam bij de Inspectie van het Onderwijs. We vroegen hem naar zijn indrukken als academisch onderzoeker op het terrein van onderwijs en burgerschap. Deze vallen niet noodzakelijk samen met het toezicht van de onderwijsinspectie op dit terrein.